Zoeken
Zoeken
Menu
Zoeken
Menu

De ICADA-richtlijnen van 2026: een nieuw draaiboek voor canine atopische dermatitis

Nextmune By Nextmune

Een grote herziening, tien jaar later

Het International Committee on Allergic Diseases of Animals (ICADA) heeft voor het eerst sinds 2015 de behandelrichtlijnen voor canine atopische dermatitis (cAD) volledig herschreven. De update, van Mueller, Banovic, Bensignor, Santoro en Nuttall, verscheen in 2026 in Veterinary Dermatology en omvat bewijs dat tot juli 2026 is gepubliceerd.

De kern: cAD wordt niet langer gezien als één ziekte met één oplossing. De richtlijnen groeperen behandelingen nu naar hun werking en verdelen de zorg in twee fasen. Voor de praktijk betekent dat een sterker argument voor multimodale behandelplannen op lange termijn, in plaats van de ene opflakkering na de andere te behandelen.

 

De grote verschuiving: eerst reactief, dan proactief

De richtlijnen vervangen de oude indeling in acute opflakkeringen, chronische laesies en preventie van terugval door twee fasen:

  1. Fase 1, reactieve therapie. Bestaande jeuk en laesies laten verdwijnen en remissie bereiken, meestal met snelwerkende en of breed werkende middelen zoals glucocorticoïden. JAK-remmers of lokivetmab kunnen geschikt zijn voor honden met jeuk en alleen acute of milde tot geen huidlaesies.
  2. Fase 2, proactieve therapie. Zodra de klachten volledig in remissie zijn, deze remissie vasthouden en opflakkeringen voorkomen met regelmatige behandeling op lange termijn, gericht op de triggers van de individuele hond.

De auteurs benadrukken dat de behandeling in een effectieve dosis moet worden voortgezet tot laesies en jeuk volledig verdwenen zijn, voordat wordt afgebouwd. Te vroeg stoppen vergroot de kans op een terugslag. Het voorkomen van herhaalde opflakkeringen helpt bovendien chronische veranderingen te vermijden die moeilijker te behandelen zijn.

In fase 2 komen onder meer huidbarrièrezorg, ondersteuning van het microbioom, allergeenvermijding en immunotherapie aan bod.

Huidbarrièrezorg: de basis van fase 2

Regelmatig wassen met een milde, niet-irriterende shampoo is een nuttige aanvulling bij cAD. Dat kan eenmaal per week, of minder vaak als er ook andere topicale middelen worden gebruikt. Dit krijgt de hoogste bewijsgraad in de richtlijnen (SOR A). Hydraterende shampoos werken waarschijnlijk het meest verzachtend; antiseborroïsche formules zijn geschikt voor honden met schilfering.

Voor topicale huidbarrièreproducten vinden de richtlijnen bewijs van wisselende kwaliteit dat het gebruik als aanvullende therapie ondersteunt (SOR B). Ze werken het best in combinatie met andere behandelingen en in mildere gevallen als regelmatig proactief onderhoud.

Verschillende Dermoscent-producten komen voor in de studies waarnaar de richtlijnen verwijzen:

  • ATOP 7® Mousse: gaf een lichte verbetering van jeuk en laesies bij tweemaal per week aanbrengen gedurende twee weken.
  • ATOP 7® spray en Essential 6® spot-on: een bescheiden effect op jeuk en laesies bij honden met milde atopie in een kleine open studie van 8 weken. Vergelijkbare resultaten werden gemeld voor Essential 6® spot-on in een kleine gerandomiseerde gecontroleerde studie. 
  • ATOP 7® spot-on met lokivetmab: het toevoegen van wekelijks wassen en de spot-on verlengde de tijd tot een opflakkering ten opzichte van lokivetmab alleen.

Bijwerkingen werden bij deze topicale producten doorgaans niet gezien.

Modulatie van het microbioom: een opkomende optie

De richtlijnen zien modulatie van het microbioom als een veelbelovend gebied dat nog in ontwikkeling is. Topicale producten met getyndalliseerde of levende probiotica worden als veilig en effectief beschouwd bij milde cAD (SOR C). Ze worden het best regelmatig ingezet als proactief onderhoud, en niet bij acute opflakkeringen.

Een van de studies waarnaar de richtlijnen verwijzen, gaat over Linkskin® Spray (Nextmune). Deze spray bestaat uit getyndalliseerde lactobacillen, hun kweekmedium, vitamine D en polyfenolen. In een open-labelstudie gaf de spray een significante verbetering van de klinische verschijnselen bij atopische honden.

De richtlijnen zijn eerlijk over de lacunes. In die studie werd geen verandering in het huidmicrobioom vastgesteld, en er is nog beperkt bewijs dat topicale probiotica het huidmicrobioom veranderen. Grotere gecontroleerde studies zijn de volgende stap.

Allergeen-specifieke immunotherapie: de enige behandeling gericht op de oorzaak

Allergeen-specifieke immunotherapie (ASIT) krijgt een van de duidelijkste aanbevelingen in de richtlijnen: ze wordt aanbevolen voor alle honden met cAD die wordt veroorzaakt door omgevingsallergenen. De auteurs wijzen op het unieke werkingsmechanisme, dat ziekteprogressie mogelijk kan voorkomen. Bijwerkingen zijn meestal mild en van voorbijgaande aard.

Drie praktische punten uit de richtlijnen:

  • Geef het tijd. ASIT heeft meestal maanden nodig om te werken. Ga daarom minstens een jaar door voordat u de respons beoordeelt, met ontstekingsremmende ondersteuning tijdens de inductiefase.
  • Kies allergenen zorgvuldig. Zowel intradermale testen als IgE-serologie zijn geschikt om allergenen te selecteren. De uitslagen moeten aansluiten bij de anamnese, seizoensgebondenheid en waarschijnlijke blootstelling van de hond. Deze testen tonen sensibilisatie aan, maar kunnen cAD niet diagnosticeren.
  • Denk na over de toedieningsweg. Voor subcutane protocollen is het meeste bewijs. Rush-inductie lijkt even effectief als conventionele inductie. Intralymfatische ASIT is in meerdere studies minstens even effectief gebleken als subcutane toediening, en mogelijk effectiever.

De richtlijnen noemen therapietrouw van de eigenaar ook als belangrijke factor voor het succes van ASIT. Daarmee wordt begeleiding van de eigenaar onderdeel van de behandeling

Eliminatiedieet en infectiebestrijding

Voeding. Elke hond met cAD die het hele jaar door klachten heeft, zou een of meer eliminatiedieetproeven moeten krijgen om na te gaan of voedselallergenen een rol spelen. Proeven duren normaal 6–10 weken met een commercieel of zelfbereid dieet met weinig nieuwe of gehydrolyseerde ingrediënten. De richtlijnen stellen expliciet dat serum- of huidtesten voor voedselallergenen hiervoor niet betrouwbaar zijn (SOR A).

Infecties. Bacteriële en Malassezia-infecties zijn een belangrijke oorzaak van opflakkeringen en moeten in beide fasen worden behandeld. Bevestig ze eerst met cytologie. Topicale antiseptica zijn de eerste keus, meestal oplossingen op basis van chloorhexidine met of zonder antimycoticum. Bewaar systemische antibiotica voor diepe pyodermie, of voor situaties waarin topicale therapie onvoldoende werkt of gecontra-indiceerd is.

Recidiverende infecties hebben altijd een onderliggende oorzaak. De richtlijnen raden daarom af om herhaaldelijk antimicrobiële kuren te geven zonder die oorzaak aan te pakken.

Essentiële vetzuren: een bescheiden ondersteunende rol

De richtlijnen geven essentiële vetzuren (EFA’s) een voorzichtige plaats in de behandeling van cAD. De auteurs stellen voor om ze aan te bieden als aanvullende therapie, of als enige behandeling bij zeer milde gevallen. Het bewijs laat slechts een beperkte afname van laesies en pruritus zien, dus EFA’s zullen de ziekte op zichzelf waarschijnlijk niet onder controle houden. Hun praktische waarde ligt eerder in een medicatiebesparend effect: honden die systemische glucocorticoïden, ciclosporine of oclacitinib krijgen, hebben mogelijk minder van deze middelen nodig wanneer EFA’s worden toegevoegd. Daarmee zijn ze het overwegen waard voor twee groepen: honden met milde cAD en atopische honden die al een van deze systemische behandelingen krijgen. Bijwerkingen zijn zeldzaam en blijven meestal beperkt tot milde maag-darmklachten, dus klinische monitoring volstaat.

Voor praktijken die EFA’s willen toevoegen aan het behandelplan van een atopische hond, biedt Nextmune Dr. Baddaky Omega-3. Dit is een hoogwaardige visolie, geproduceerd in Noorwegen, met een hoog gehalte aan de essentiële omega-3-vetzuren EPA en DHA. Het bevat ook een antioxidant, is verkrijgbaar als olie of in capsulevorm en wordt eenmaal daags met het voer gegeven. Het bewijs in de richtlijnen betreft EFA’s als productgroep en niet dit specifieke product. Het past daarom het best waar de richtlijnen EFA’s plaatsen: als aanvullende therapie bij milde cAD of naast systemische behandeling.

Alles op een rij

De conclusie van de richtlijnen is dat geen enkele interventie universeel noodzakelijk, uitwisselbaar of bij elke hond effectief is. Een goed plan voor de lange termijn combineert de opties die passen bij de triggers, het laesiepatroon, de eigenaar en het budget van elke patiënt. Een typisch plan voor fase 2 kan bestaan uit:

  • Wassen naar behoefte en een topicaal huidbarrièreproduct
  • monitoring op infecties en zo nodig topicale antiseptica
  • vlooienbestrijding en, bij klachten het hele jaar door, een eliminatiedieetproef
  • allergeen-specifieke immunotherapie voor honden met relevante sensibilisaties voor omgevingsallergenen
  • zo nodig ontstekingsremmende therapie om de remissie vast te houden

Nextmune ondersteunt dierenartsen bij deze hele aanpak, van allergietesten en immunotherapie tot topicale huidverzorging. Bekijk hier onze aankomende evenementen voor 2027 of opnames van eerdere webinars.

Referentie

Mueller RS, Banovic F, Bensignor E, Santoro D, Nuttall T. Treatment of canine atopic dermatitis: updated guidelines from the International Committee on Allergic Diseases of Animals (ICADA). Veterinary Dermatology. 2026. doi:10.1111/vde.70128 

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en mis onze nieuwste innovaties op het gebied van allergie, dermatologie en gespecialiseerde voeding voor dieren niet.

Deel artikel: